Frank van den Berge helpt het museum van Kupang in West-Timor met het oplossen van een oud raadsel.
Het regent al dagen hier in Kupang, de "hoofdstad" van de provincie West-Timor met zo'n 20.000 inwoners, gelegen op het westelijkste punt van dit eiland. Ik ben nu al bijna twee maanden aan het fietsen op de Kleine Sunda-eilanden en volgens de immigratieregels van Indonesië is het een toerist slechts toegestaan om zich 60 dagen achtereen in het land op te houden.




Ik ben hier absoluut verkeerd. Ik sta stil met mijn fiets midden op een smal, stenen pad op het eiland Roti. Ik was van plan om voor het aanbreken van de nacht in Nusakdale aan te komen. Ik geef nog net de moed niet op. Het is vreselijk warm. Het zweet gutst van mijn lichaam. Mijn handdoek heeft de functie van mijn zweetbandje overgenomen. Tegen deze bijna ondraaglijke zweetpartij is een normale hoofdband niet meer opgewassen.
Het is rond een uur of vier 's morgens al onrustig in Desa Puli. Desa Puli is het traditionele heuveldorpje waar ik voor een paar dagen bij een familie onderdak heb gevonden vanwege de te houden Pasola. Het dorpje ligt in het Wanokaka-distrikt op een heuvel met een prachtig uitzicht over de sawah-veldjes beneden, die tot bijna aan de rand van de zee zijn aangelegd.
Zoals afgesproken staan Pa'e Nope en ik rond zeven uur 's morgens voor ons hotel te wachten op de Toyota Landcruiser van de overheid, die ons vandaag naar plaatsen zal brengen, die nauwelijks tot niet op de kaart te vinden zijn. Het is al erg warm. De zon is al een uur of twee eerder dan wij opgestaan en doet zijn best om er vandaag een hete dag van te maken. Gisteren zijn we door de plaatselijke autoriteiten hier in Kefamenanu, een kleine stad in het centrale gedeelte van West-Timor beloofd de bergen in te gaan op zoek naar dorpen, die voor het toekomstig toerisme van belang kunnen zijn.